volkstaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvɔlᵊksˌtal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) de taal van het gewone volk, vaak informeel van aard en soms als minder beschaafd gezien, in tegenstelling tot de standaardtaal
    In de Vroegmoderne Tijd werd de literatuur overal in Europa gekenmerkt door de tweetaligheid van Latijn en volkstaal.
  2. moedertaal
    Mensen die het waagden een bijbel in de volkstaal in bezit te hebben of bijbels te verspreiden, kregen te maken met de woede van de katholieke kerk. Velen van hen werden gearresteerd, op de brandstapel gebracht, levend aan het spit geroosterd, tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld of naar de galeien gestuurd. In beslag genomen bijbels werden verbrand. Tot ver in de twintigste eeuw waren er katholieke geestelijken die bijbels in beslag namen en verbrandden. [https://wol.jw.org/nl/wol/d/r18/lp-o/102011443#h=4 Jehovah's Witnesses]

Vertalingen

Engelsvernacular
Franslangue populaire, langue vulgaire
DuitsAlltagssprache, Volkssprache