voluut

mannelijk/vrouwelijk (de)/voˈlyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spiraalvormige bovenkant van een pilaar in de Ionische orde
    „Er bevindt zich zwam in het dak. Als gevolg daarvan brokkelen de dakspanten gaan af. Vanwege vermolming is er één voluut –de bovenkant van een pilaster (halve pilaar) – naar beneden gekomen. Ook de andere voluten lopen dat risico.”

Etymologie

* uit het Latijn