voorbereiden

/ˈvorbəˌrɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
    We moeten ons daar nog even op voorbereiden.
    Nederland gold internationaal als het land dat fantastisch was voorbereid op pandemieën. Maar toen het coronavirus aanklopte, werden ook wij overrompeld.
    Door de wolken te observeren, zul je weten hoe je jezelf op een storm moet voorbereiden.

Vertalingen

Engelsprepare
Franspréparer
Duitsvorbereiten
Spaanspreparar, aprestar, predisponer