voorbereiding

vrouwelijk (de)/ˈvorbəˌrɛidɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het voorbereiden
    Ter voorbereiding op een op dat artikel gebaseerde wettelijke regeling werd er in 1891 een staatscommissie 'tot voorbereiding der administratieve rechtspraak' in het leven geroepen, die haar verslag in 1894 in de vorm van een voorontwerp van de wet uitbracht.
    De voorbereidingen konden beginnen.
    De adrenaline gierde door mijn lijf omdat, na meer dan een jaar voorbereiding, mijn trektocht van Mexico naar Canada eindelijk begon.

Etymologie

*Naamwoord van handeling van voorbereiden .

Vertalingen

Engelspreparation
Spaanspreparación
Italiaanspreparativo
Turkshazırlık