Voorbij

/vorˈbɛi/

Betekenis

voorzetsel
  1. met een waarneming of verplaatsing langs
    Hij zag voorbij de velden een paar huisjes staan.
    Ze reden voorbij het paleis.
    Het gaat pas voorbij de zomer weer regenen.
  2. na het passeren achter zich latend
    Ze herkende me niet en liep me voorbij.

Etymologie

In de conformistische dagen van nu is de tentoonstelling meer dan een overzicht van leven en werk van een geliefde Drentse blueszanger. Het is ook de expositie van een voorbij tijdperk. De posters en de platenhoezen verhalen over meer dan over muziek alleen. Ze vertellen over jong en wild zijn, langharig, in spijkerbroek. Over bier, liefde en verdriet. Het maakt nostalgisch. Om de blues van te krijgen.

Vertalingen

Engelslast, past, straight past
Spaanspasado
Portugeespassado, anterior