voorbijgaan

/vorˈbɛiɣan/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) langs een bepaald punt gaan
    Dezelfde fietser ging opnieuw voorbij.
  2. erga (erga) tot verleden gaan behoren
    Die tijd is voorgoed voorbijgegaan.
  3. inerg (inerg) niet in beschouwing nemen
    Er werd daarmee geheel voorbijgegaan aan de wil van de Iraanse bevolking.

Vertalingen

Engelspass, pass
Franspasser, passer
Duitsvorbeigehen, vorbeigehen