voorbijgaan
/vorˈbɛiɣan/
Betekenis
werkwoord
- (erga) langs een bepaald punt gaanDezelfde fietser ging opnieuw voorbij.
- (erga) tot verleden gaan behorenDie tijd is voorgoed voorbijgegaan.
- (inerg) niet in beschouwing nemenEr werd daarmee geheel voorbijgegaan aan de wil van de Iraanse bevolking.
Vertalingen
Engelspass, pass
Franspasser, passer
Duitsvorbeigehen, vorbeigehen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek