voorhal

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvorhɑl/

Wat is de betekenis van voorhal?

voorhal betekent: (bouwkunde) ruimte binnen een gebouw nabij de hoofdingang

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) ruimte binnen een gebouw nabij de hoofdingang
  2. bouwkunde (bouwkunde) overdekte buitenruimte bij de ingang

Voorbeelden van "voorhal" in een zin

  • De bel-etage bevat een voorhal, een eregalerij en een Rembrandtzaal.
  • Vanaf een kleine voorhal aan de straatzijde loopt men in diagonaalrichting door de woning.
  • De R.K. kerk van het Allerheiligst Hart van Jezus (−) is een centraalbouw met vierkante plattegrond, voorhal en absiden, in 1951-'52 opgetrokken naar plannen van A. Siebers en W. van Dael in de trant van de Bossche School.
  • Het linker bouwhuis is een woning met schuur, het rechter een stalgebouw voorzien van een open voorhal met ronde bakstenen pijlers.