voorhand

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) het voorste gedeelte van een hand
  2. sport (sport) een voorwaartse slag met bijv. een tennisracket
    Zijn slagen met de voorhand zijn veel beter dan die met de backhand.
  3. paardrijden (paardrijden) het voorste gedeelte van een paard
    De voorhand van een rijpaard bevindt zich voor de handen van de ruiter.

Uitdrukkingen

  • op voorhandbij voorbaat, tevoren al vaststaand
  • de voorhand hebbenin het voordeel zijn