voorhand
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) het voorste gedeelte van een hand
- (sport) een voorwaartse slag met bijv. een tennisracketZijn slagen met de voorhand zijn veel beter dan die met de backhand.
- (paardrijden) het voorste gedeelte van een paardDe voorhand van een rijpaard bevindt zich voor de handen van de ruiter.
Uitdrukkingen
- op voorhand — bij voorbaat, tevoren al vaststaand
- de voorhand hebben — in het voordeel zijn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek