achterhand

mannelijk/vrouwelijk (de)/'ɑxtərhɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) het gedeelte van een hand bij de pols
  2. sport (sport) een achterwaartse slag met bijv. een tennisracket
    Zijn slagen met de achterhand zijn niet zo goed als die met de voorhand.
  3. paardrijden (paardrijden) het achterste gedeelte van een paard
    De achterhand van een rijpaard bevindt zich achter de handen van de ruiter.