voorzegging
vrouwelijk (de)/ˈvorzɛɣɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- influistering; de keer dat men iemand een antwoord voorzegt
zelfstandig naamwoord
- voorspellingDe oude vader zuchtte met doffe pijn: hij gevoelde dat de aaklige voorzegging van Willem zich kon bewaarheden; want Johanna van Navarra was een boze vrouw; echter liet hij zijn mistroostigheid niet blijken en sprak: "Het is niet redelijk, Willem, dat men zich bedroeve met smartelijke vooruitzichten.Zijn droefheid was echter veel verminderd, want hij gaf geloof aan de voorzegging van de geneesheer." Jan van Gistel verbleekte bij de plechtige voorzegging des grijsaards.
Etymologie
*afleiding van van voorzeggen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek