voorzienigheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de almachtige kracht van een god die zorgt dat alles gebeurt zoals het gebeurt
    We hebben ons best gedaan, maar de rest zullen we toch aan de voorzienigheid moeten overlaten.
    Zijn broer Oscar had op miraculeuze wijze, zo het al geen goddelijke voorzienigheid was, een aanzienlijk vermogen in Afrika verworven.

Etymologie

* afgeleid van voorzienig