vriendschap

vrouwelijk (de)/ˈvrintsxɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sociologie (sociologie) gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
    Vriendschap moet je koesteren.
    Woestijn, bergen, sneeuw, maar vooral de ontmoetingen, vriendschappen en emoties flitsten voorbij.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "vrientscap", op te vatten als afgeleid van vriend

Uitdrukkingen

  • Een vriendschap van David en JonathanEen zeer goede vriendschap (zie ook David en Jonathan)
  • Als de pot kookt, bloeit de vriendschapWie rijk is of anderen goed onthaalt, heeft veel (schijnbare) vrienden
  • Als de vriendschap te groot is, loopt zij overEen te innige vriendschap houdt niet lang stand
  • Bloemen verwelken, schepen vergaan, maar onze vriendschap blijft altijd bestaanTraditioneel rijm in poëziealbums
  • Geld te lenen, wedden, spelen, breekt de vriendschap onder velenGeld zorgt er vaak voor dat vriendschappen kapotgaan
  • Kort afzeggen is vriendschap doenHet is voor de goede verstandhouding beter om een kansloos verzoek kort en duidelijk af te wijzen, dan eromheen te draaien en intussen valse hoop te geven
  • Korte rekening maakt lange vriendschapHet snel betalen van nota's leidt tot een goede relatie met de leveranciers
  • Met één hoed te meer in het jaar onderhoudt men veel vriendschapWie beleefd is, maakt daarmee meer vrienden (vgl. Men vangt meer vliegen met honing dan met azijn/Wie goed doet, goed ontmoet)

Vertalingen

Engelsfriendship
Fransamitié
DuitsFreundschaft
Spaansamistad
Italiaansamicizia
Portugeesamizade
Russischдружба
Poolsprzyjaźń
Zweedsvänskap
Deensvenskab