vrijdag
mannelijk (de)/ˈvrɛidɑx/
Wat is de betekenis van vrijdag?
vrijdag betekent: (tijdrekening), (dag) dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening), (dag) dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
Voorbeelden van "vrijdag" in een zin
- Vrijdag ben ik volgens mij vrij.
- Ze wil vrijdag om elf uur weer met hem afspreken.
- Dachten de tortelduifjes eindelijk het rijk alleen te hebben? De volgende dag, op vrijdag 6 februari, keerde de burgemeester alweer terug.
Etymologie
*van Middelnederlands "vridach", in de betekenis van ‘zesde dag van de week’ voor het eerst aangetroffen in 1263 (eponiem), op te vatten als , een leenvertaling van Latijn "dies Veneris" "dag van (de Romeinse godin van de liefde)"
Vertalingen
EngelsFriday
Fransvendredi
DuitsFreitag
Spaansviernes
Italiaansvenerdì
Portugeessexta-feira
Russischпятница
Chinees星期五
Japans金曜日
Koreaans금요일
Arabischالجمعة
Turkscuma
Poolspiątek
Zweedsfredag
Deensfredag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek