vrijgezel
mannelijk (de)/ˌvrɛiɣəˈzɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een ongehuwde man of vrouw
Etymologie
* In de betekenis van ‘ongehuwde man of vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1747
Vertalingen
Engelsbachelor
Franscélibataire, célibataire
DuitsJunggeselle, ledig
Spaanssoltero, soltera, soltero
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek