wachten
/ˈʋɑx.tə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurtDaar is lang op gewacht.Venetië glimlachte naar mij als een geliefde die op mij had gewacht.Blijkbaar werkte mijn actie wel, dus ik schopte nogmaals wat zand waardoor de ratelslang sierlijk de struiken ingleed. Ik wachtte een paar minuten tot de kust echt veilig was.
- (refl) (verouderd) zich ~ voor oppassen voor iets, zich hoeden voor ietsWacht u voor de hond!
Etymologie
: : wahten, : wachtsje (Oudfries: wachtia)
Uitdrukkingen
- Op zich doen wachten. Op zich laten wachten — Uitblijven. Lang niet gebeuren.
- te wachten staan — wat je nog kan verwachten dat zal gaan gebeuren
Vertalingen
Engelswait
Fransattendre
Duitswarten
Spaansesperar
Russischждать
Poolsczekać
Deensvente
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek