Wal

mannelijk (de)/wɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aarden verhoging als verdediging tegen een vijand
  2. aarden verhoging als verdediging tegen een overstroming
  3. vaste land in tegenstelling tot het boord van een schip
  4. onderhuidse ophoping van vet of vocht beneden de onderste oogleden, die soms samengaat met een donkere verkleuring

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verhoging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • aan lager wal raken
  • voet aan wal zetten

Vertalingen

Engelswall, levee, shore
DuitsWall, Deich, Damm
Russischвал, насыпь, дамба