Wal
mannelijk (de)/wɑl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- aarden verhoging als verdediging tegen een vijand
- aarden verhoging als verdediging tegen een overstroming
- vaste land in tegenstelling tot het boord van een schip
- onderhuidse ophoping van vet of vocht beneden de onderste oogleden, die soms samengaat met een donkere verkleuring
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verhoging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- aan lager wal raken
- voet aan wal zetten
Vertalingen
Engelswall, levee, shore
DuitsWall, Deich, Damm
Russischвал, насыпь, дамба
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek