wallen
/ˈwɑlə(n)/
Betekenis
werkwoord
- een wal opwerpen
- (intr) werken aan vestingwerken
- (ov) (van een stuk land) de sloten eromheen schoonmaken door slib en waterplanten langs de kant op de oever te halen
- (verouderd) omhoog borrelen
- (intr) door verhitting opborrelen
- (ov) aan de kook brengen of laten weken
- (intr) golvende bewegingen maken
Etymologie
*[zelfstandig naamwoord]: wal met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek