wallen

/ˈwɑlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een wal opwerpen
  2. intr (intr) werken aan vestingwerken
  3. ov (ov) (van een stuk land) de sloten eromheen schoonmaken door slib en waterplanten langs de kant op de oever te halen
  4. verouderd (verouderd) omhoog borrelen
  5. intr (intr) door verhitting opborrelen
  6. ov (ov) aan de kook brengen of laten weken
  7. intr (intr) golvende bewegingen maken

Etymologie

*[zelfstandig naamwoord]: wal met de uitgang -en