wand
mannelijk (de)/ʋɑnt/
Wat is de betekenis van wand?
wand betekent: een verticale afscheiding tussen twee vertrekken in een woonlaag van een gebouw
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een verticale afscheiding tussen twee vertrekken in een woonlaag van een gebouw
- meer algemeen: verticaal oprijzend vlak (-> bergwand)
- nog algemener: omsluiting (-> celwand)
Voorbeelden van "wand" in een zin
- Je kunt deze wand beter een lichtere kleur geven.
- Maar ik ben ook boer geweest, gemeenteraadslid, schrijver enm' Nu loopt hij naar een wand waar een gordijn voor hangt. Met een groots armgebaar gooit hij het gordijn opzij.
- Op school lieten ze ons films zien over het leven in Engeland - schokkerige bolhoeden en bussen op de witgekalkte wand - terwijl we buiten alleen maar kikkers hoorden kwaken.
Etymologie
*Van oorsprong een van winden.
Vertalingen
Engelswall
Franscloison, paroi
DuitsWand
Spaanspared, tabique
Deensvæg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek