wandaad

vrouwelijk (de)/ˈwɑndat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
    Wie dieren pijn doet voor zijn plezier begaat een wandaad.

Etymologie

*, in de betekenis van ‘slechte daad’ voor het eerst aangetroffen in 1790

Vertalingen

Engelsmisdeed, outrage
Fransméfait
DuitsUntat
Spaansbarbaridad, fechoría, exceso