warmte

vrouwelijk (de)/ˈwɑrᵊmtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin het weer warm is
    De warmte was de laatste tijd moeilijk te verdragen.
    De koude berglucht had de lente op deze hoogte wat vertraagd, maar door de warmte liepen nu ook de bergbloemen allemaal uit.
  2. thermodynamica (thermodynamica) de hoeveelheid thermische energie
    De lucht was zwoel, de aarde gaf nog steeds warmte af.
    Maar als ze roerloos lagen te zonnebaden, waren ze juist heel uitgebalanceerd, deze pragmatisten van de natuur, en zogen ze de warmte van de zon op.
  3. psychologie (psychologie) aangenaam gevoel van energie
    ' Een aangename warmte verspreidde zich door mijn buik, en ik kon de glimlach in mijn stem niet verhullen.
    ' 'Op de eenzaamheid!' Het vocht vult mijn mond met wrange warmte.

Etymologie

*Afgeleid van warm .

Vertalingen

Engelswarmth, heat
Franschaleur, chaleur
DuitsWärme, Wärme
Spaanscalor, calor