was
mannelijk (de)/wɑs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- weke laagsmeltende en waterafstotende stof
- : het wassen, het schoonmaken met een vloeistofDe was en de strijk zijn een steeds weerkerende klus.
- het wasgoed:Ik moet de was nog te drogen hangen.
- (aan)groei, stijging (vooral van water)De was van een rivier is moeilijk te stuiten.
werkwoord
- vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd van ergatieve werkwoordenWas toch naar huis gegaan!
Uitdrukkingen
- Goed in de slappe was zitten — veel geld hebben
- Een wassen neus
- als ik van u was
Vertalingen
Engelswax, wash, laundry
Franscire
DuitsWachs
Spaanscera
Italiaanscera
Portugeescera
Russischвоск, мытьё, мойка
Poolswosk
Zweedsvax
Deensvoks
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek