was

mannelijk (de)/wɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
  2. : het wassen, het schoonmaken met een vloeistof
    De was en de strijk zijn een steeds weerkerende klus.
  3. het wasgoed:
    Ik moet de was nog te drogen hangen.
  4. (aan)groei, stijging (vooral van water)
    De was van een rivier is moeilijk te stuiten.
werkwoord
  1. vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd van ergatieve werkwoorden
    Was toch naar huis gegaan!

Uitdrukkingen

  • Goed in de slappe was zittenveel geld hebben
  • Een wassen neus
  • als ik van u was

Vertalingen

Engelswax, wash, laundry
Franscire
DuitsWachs
Spaanscera
Italiaanscera
Portugeescera
Russischвоск, мытьё, мойка
Poolswosk
Zweedsvax
Deensvoks