watersnood

mannelijk (de)/ˈwatərsˌnot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een toestand van grote nood veroorzaakt door een overstroming met name de watersnood van 1953
    Het historische fragment was afgelopen en het programma ging verder met de veertigjarige herdenking van de Watersnood.
    Alhoewel dit dorp met meer dan driehonderd slachtoffers veel zwaarder was getroffen door de Watersnood dan Nieuwe-Tonge met vijfentachtig, was het bezoek voor mij relatief gemakkelijk, want hier lagen geen persoonlijke herinneringen.