water
onzijdig (het)/ˈwatər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vloeistof die zelf helder is, zonder geur of smaak, maar waar veel andere stoffen gemakkelijk in opgaanHet water gaat er anders dan voorheen.
- (drinken) gebruikt als drankGijs dacht dat het een storm in een glas water was en dus besloten we er niet te veel aandacht aan te geven.Een mens kan geen dag overleven zonder water.Er zou die dag namelijk pas na 32 kilometer water te vinden zijn, waardoor ik zeven liter water boven op mijn basisuitrusting mee moest sjouwen.
- (scheikunde) vloeistof waarvan de moleculen bestaan uit één atoom zuurstof en twee atomen waterstof (H2O)Vaak wordt water gebruikt als oplosmiddel.
- (meteorologie) regenwater; veel voorkomende neerslagEr viel zodanig veel water op korte tijd dat de riolen het niet meer aankonden.
- (enkel in het meervoud) stuk zee dat aan (g)een bepaald land toebehoortWe bevinden ons nu in internationale wateren.
- (geologie) natuurlijke bedding waarin zich water bevindtOf van een kennis die jou met je kop vol xtc van een brug had geplukt, klaar om in het water te springen.Ik steek mijn teen in het frisse water voor me.
- (biologie) vloeistof in het lichaam (m.n. urine)
- doorzichtigheid of helderheid van een diamant
- golvende weerschijn van geweven stoffen
- (effectenhandel) obligatie zonder onderpand; leeg aandeel
Etymologie
*: ujë
Uitdrukkingen
- bang zijn zich aan koud water te branden — overdreven voorzichtig te werk gaan
- boven water komen — bovenkomen
- Het water loopt hem in de mond. — Hij heeft er heel veel trek in.
- water naar de zee dragen — onnodig werk verrichten
- water bij de wijn doen — meer verdragen, toegeven, door de vingers zien
- water en vuur — gezworen vijanden
- water zien branden — zeer verwonderd kijken
- zij lijken op elkaar als twee druppels water — zij zijn niet te onderscheiden
Vertalingen
Duitsauftauchen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek