waxcoat
mannelijk (de)/ˈwɛkskot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) regenjas van linnen of katoen dat door een waslaagje geen water meer doorlaatHij droeg een waxcoat.Achter haar aan kwam Andrew Dalbeattie, glimmend van zelfvertrouwen in een waxcoat en Galway-laarzen.Stork was in Ruurlo voor de jacht. „Maar juist zaterdag kon ik niet meedoen met de jacht, mijn paard is niet goed.” Burgemeester Gerritsen heeft de versierselen bevestigd op de groene waxcoat van zijn plaatsgenoot.
Etymologie
*van "waxed coat"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek