week

mannelijk/vrouwelijk (de)/wek/

Wat is de betekenis van week?

week betekent: (tijdrekening), (eenheid) tijdseenheid van 7 dagen, meestal beginnend op maandag of zondag

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening, eenheid (tijdrekening), (eenheid) tijdseenheid van 7 dagen, meestal beginnend op maandag of zondag
zelfstandig naamwoord
  1. zacht gedeelte, dat meebeweegt als het wordt ingedrukt
  2. met weinig weerstandsvermogen of veerkracht
  3. gevoelig voor emoties.

Voorbeelden van "week" in een zin

  • In China wordt elke week een kolencentrale gebouwd.
  • Het is principieel onmogelijk een weersverwachting te maken op een termijn van meer dan twee weken.
  • Nu is mijn witte paard ziek. Wilt u alstublieft een drank voor hem maken? Volgende week gaan wij naar Holland en zonder dat paard kan ik niet over de daken rijden.
  • Hij boort de nagels in het week van zijn handen.
  • op zyn eygen houtje, en dat alleen, doorboort hy de borſt niet, maar het week van de buyk [hypochondrium dextrum] aan de regter zyde

Etymologie

*[C] van "wijk" met klinkerwisseling /ɛi/ → /e/

Vertalingen

Engelsweek, weak, mellow
Franssemaine, mou
DuitsKalenderwoche, Woche, weich
Spaanssemana, blando, tierno
Italiaanssettimana, molle
Russischнеделя, мягкий
Poolstydzień
Zweedsvek, mör, svag
Deensblød