weekdag
mannelijk (de)/ˈweɡdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening) een doordeweekse dag en kan betreffen maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdagOp een weekdag moet ik werken.
- elk van de zeven dagen van de weekDe weekdag kan worden bepaald aan de hand van de datum.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek