weg
mannelijk (de)/wɛx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) smalle strook grond voor het verkeerJe mag enkel op de weg rijden, niet op het fietspad!Vooral de secundaire informatie van Guthook was voor mij van groot belang. Alle relevante informatie over de trail werd aangegeven, zoals geschikte slaapplaatsen, wegen, dorpen en alle waterbronnen.
- route van een vertrekpunt naar een bestemmingIk zoek de kortste weg naar Amsterdam.
- (figuurlijk) middel om iets te bereikenIk pomp nog even de banden op voordat we op weg gaan.Met een nieuwe eigenaar gaat het bedrijf op weg naar een betere toekomst.Hij was al heel aardig op weg met het schrijven van zijn nieuwe roman.
zelfstandig naamwoord
- (voeding) brood dat naar de uiteinden toe in een punt toeloopt
Etymologie
*B van Middelnederlands "wegge", in de betekenis van ‘broodje’ aangetroffen vanaf 1360
Uitdrukkingen
- dezelfde weg terug afleggen
- geen weg weten met
- je weg maken
- Alle wegen leiden naar Rome — Er zijn veel manieren om je doel te bereiken ofwel: de uitkomst is altijd hetzelfde
- Bij de weg blijven
- De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. — Veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren
- De weg van alle vlees gaan — Doodgaan
- De koninklijke weg bewandelen/gaan — Eerlijk zijn
Vertalingen
Engelsroad
Fransvoie, chemin
DuitsWeg, zurechtfinden
Spaanscarretera, ruta
Italiaansstrada
Poolsdroga
Deensgade
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek