wegen

/ˈweɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) het gewicht/de massa bepalen
    Volgens de zegsman van Pepys liet de koning zich uit nieuwsgierigheid voor en na iedere tenniswedstrijd wegen om te zien hoeveel gewicht hij had verloren.
  2. inerg (inerg) een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
    ‘Mijn rugzak woog wel 20 kilo, en nu loopt iedereen met dat ultralichte spul.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zwaar zijn, de zwaarte bepalen’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • De laatste loodjes wegen het zwaarst.aan het eind van de klus wordt het werken het meest moeilijk; de dingen op het einde van een karwei zijn het vermoeiendst
  • Gewogen maar te licht bevonden.gekeurd en afgekeurd worden
  • Iets wikken en wegenerg lang over iets nadenken en alle voors- en tegens afwegen
  • tot hij een ons weegt
  • Zijn woorden op een goudschaaltje wegenpas dingen zeggen als die uitgebreid overdacht zijn
  • Zwaar(der) wegenBelangrijk(er) zijn (dan)
  • in geen velden of wegennergens

Vertalingen

Engelsweigh, weigh
Franspeser, peser
Duitswiegen, wiegen
Spaanspesar