wegvliegen
/ˈwɛxfliɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) een plaats vliegend verlatenVoor hij de foto kon nemen vloog de zeldzame vogel weg.
- (erga) heel snel en plotseling een plaats verlatenToen hij het slechte nieuws hoorde vloog hij weg.
- (erga) een hoge verkoopsnelheid hebbenZo rond deze tijd van het jaar vliegen de boeken gewoon weg.
Vertalingen
Engelsfly away, dart off, sell like hot cakes
Franss'envoler, partir très vite, partir
Duitsfortfliegen, davoneilen, reißenden Absatz finden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek