wem

mannelijk (de)/wɛm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verbreed en dan spits toelopend plat uiteinde aan de arm van een anker
    Daar 't anker vrij langs vreemde kusten den wem in afgronds boezem grift, (…)

Etymologie

*(erfwoord) mogelijk verwant aan "hwomm" "hoek"

Vertalingen

Engelsfluke
DuitsFlunke