Werken
/ˈwɛrkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee een resultaat proberen te bewerkstelligen en geld verdienen` Misschien moet je eens gaan werken, riep hij me na. De trein reed te snel weg om hem iets ad rems toe te schreeuwen. Van Arnhem tot Parijs spookte zijn opmerking door mijn hoofd. Ik wenste dat Stan op zijn bed was blijven liggen of was gaan werken. {{Aut|Sandes, DavidToch voelde het voor mij niet als een eeuwigheid, wat zijn immers zes maanden op een mensenleven? Na twintig jaar hard werken in glimmende kantoorgebouwen had ik behoefte aan meer natuur en avontuur.Omdat daar geen bruggenbouw mogelijk was geweest in de wintertijd. Dan moest je je uitsluitend bezighouden met het werken aan de tunnels.
- (inerg) functioneren, draaienDie machine werkt niet.
- (inerg), (onpr) een gunstig gevolg hebbenDie oplossing kan nooit werken.
- (verouderd) iets groots tot stand brengenEn zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden.{{ouds
Etymologie
*: "werk" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- Dat werkt niet — Dat heeft niet het beoogde effect, dat schiet zijn doel voorbij
- In de hand werken — Ertoe bijdragen dat iets erger wordt
- Loon naar werken krijgen — Loon krijgen dat in overeenstemming is met de verrichte hoeveelheid werk (ook: Loon naar werk krijgen)
- Op de zenuwen werken — Nerveus maken, zenuwachtig maken
- Werken zolang het dag is — Werken zo lang iemand kan
- Werken als een paard
- Zich de tandjes werken
- zich de rambam werken
Vertalingen
Engelswork
Franstravailler, marcher
Duitsarbeiten, funktionieren, gehen
Spaanstrabajar, obrar, funcionar
Italiaanslavorare
Russischработать
Poolspracować
Zweedsverka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek