Werken

/ˈwɛrkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee een resultaat proberen te bewerkstelligen en geld verdienen
    ` Misschien moet je eens gaan werken, riep hij me na. De trein reed te snel weg om hem iets ad rems toe te schreeuwen. Van Arnhem tot Parijs spookte zijn opmerking door mijn hoofd. Ik wenste dat Stan op zijn bed was blijven liggen of was gaan werken. {{Aut|Sandes, David
    Toch voelde het voor mij niet als een eeuwigheid, wat zijn immers zes maanden op een mensenleven? Na twintig jaar hard werken in glimmende kantoorgebouwen had ik behoefte aan meer natuur en avontuur.
    Omdat daar geen bruggenbouw mogelijk was geweest in de wintertijd. Dan moest je je uitsluitend bezighouden met het werken aan de tunnels.
  2. inerg (inerg) functioneren, draaien
    Die machine werkt niet.
  3. inerg, onpr (inerg), (onpr) een gunstig gevolg hebben
    Die oplossing kan nooit werken.
  4. verouderd (verouderd) iets groots tot stand brengen
    En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden.
    {{ouds

Etymologie

*: "werk" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • Dat werkt nietDat heeft niet het beoogde effect, dat schiet zijn doel voorbij
  • In de hand werkenErtoe bijdragen dat iets erger wordt
  • Loon naar werken krijgenLoon krijgen dat in overeenstemming is met de verrichte hoeveelheid werk (ook: Loon naar werk krijgen)
  • Op de zenuwen werkenNerveus maken, zenuwachtig maken
  • Werken zolang het dag isWerken zo lang iemand kan
  • Werken als een paard
  • Zich de tandjes werken
  • zich de rambam werken

Vertalingen

Engelswork
Franstravailler, marcher
Duitsarbeiten, funktionieren, gehen
Spaanstrabajar, obrar, funcionar
Italiaanslavorare
Russischработать
Poolspracować
Zweedsverka