werk
onzijdig (het)/ˈwɛrᵊk/
Wat is de betekenis van werk?
werk betekent: dat wat gedaan moet worden, klus, arbeid, karwei
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dat wat gedaan moet worden, klus, arbeid, karwei
- (economie) "beroep"
- (economie) de plek waar men werkt, werkplek
- dat wat gemaakt is, zoals een kunstwerk, pennenvrucht, boekwerk, oeuvre, of opus
- een figuurtje in breiwerk ter versiering
- (werktuigbouwkunde) een aangedreven mechaniek dat steeds dezelfde functies verricht zoals het overbrengen van beweging, het verplaatsen van lasten, het aanwijzen van tellerstanden, het afspelen van muziekautomaten etc.
zelfstandig naamwoord
- de verwarde, grove bij het hekelen afgescheiden afvaldraden van vlas of hennep, vooral de kortere draden
Voorbeelden van "werk" in een zin
- Het werk dat moest gebeuren, is voltooid.
- Het werk van Hans is buschauffeur.
- Onder het koken vertelde Barbie mij over zijn werk als hotelmanager en hoe zwaar het was om jarenlang voor dag en dauw op te moeten staan en op alle feestdagen te moeten werken.
- Hans kwam vandaag te laat aan op het werk.
- Het werk van Magritte zal op de veiling verkocht worden.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands werc, ontwikkeld uit Oergermaans *werkan, bij Indo-Europees *uerḱ/k-nó-; vgl. Welsh cywarch ‘hennep’. Evenals Nederduits Warg, Duits Werg en Fries wurk.
Uitdrukkingen
- Werk aan de winkel zijn — veel werk te verzetten zijn
- Werken als een paard — Zeer hard werken
- Werken zolang het dag is — werken zo lang iemand kan
- De kroon op het werk zetten — Het werk prachtig voltooien
- Een goed begin is het halve werk. — beter een goede start te maken dan later puin te moeten ruimen ofwel: met een goede voorbereiding kan het werk goed en snel gedaan worden
- Ergens werk van maken — ergens mee aan de gang gaan
- Goed gereedschap is het halve werk. — door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard
- In de hand werken — iets helpen erger worden
Vertalingen
Engelswork, labour, toil
Franstravail, profession, métier
DuitsArbeit, Beruf, Arbeitsplatz
Spaanstrabajo, trabajo, trabajo
Italiaanslavoro, lavoro, lavoro
Portugeestrabalho, profissão, trabalho
Russischпа́кля
Poolspraca, praca, pakuły
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek