wiebelen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) heen en weer bewegen bij staan of zittenHet onrustige kind wiebelde de hele dag op haar stoel.
- (inerg) onzeker staanDe vaas wiebelde en viel in stukken op de grond.Die op elkaar gepakte suikerdoosjes van huizen in Trovill, die wiebelden als je de deur dichtsloeg en waar ze geen eigen water hadden, stelden niets voor.
Etymologie
* In de betekenis van ‘wankelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek