wijd
/ʋɛɪ̯t/
Wat is de betekenis van wijd?
wijd betekent: met een brede lip
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- met een brede lip
- met een grote uitgestrektheid
- met veel ongevulde ruimte
- met een groot oppervlak
- ver
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijden
- gebiedende wijs van wijden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijden
Voorbeelden van "wijd" in een zin
- Ik wreef mijn klamme handen droog aan mijn korte broek en stak mijn armen en wandelstokken wijd uit om als een trapezeartiest naar de overkant te balanceren, mijn blik geconcentreerd op de overkant.
- Zijn ogen waren wijd open van schrik.
- Ik wijd.
- Wijd!
- Wijd je?
Etymologie
In de betekenis van ‘ruim’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Vertalingen
afwyd
Duitsweit
Engelswide
Fransample, large, loin, largement
Spaansancho
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek