wijf

onzijdig (het)/wɛif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel, pejoratief (informeel) vrouw (vaak ook (pejoratief))
    Wat een lekker wijf!
    En ineens stonden ze voor een hol en zagen achterin de gloed van een vuur. Er was een lelijk oud wijf dat, zachtjes mompelend, in een pot boven het vuur stond te roeren.
  2. familie, juridisch, verouderd (familie) (juridisch) (verouderd) echtgenote, vrouw [2]
    En mij zo gunstig eens wou wezen / Van u te maken tot mijn wijf.[http://home.hccnet.nl/ja.vank/eneas1.html Eneas boek 1], HCC

Etymologie

:: (verouderd) "viv" (: "víf" (n))

Uitdrukkingen

  • Kletsen als oude wijven [bij elkaar]Gezegd van vrouwen die veel kletsen

Vertalingen

Engelsbitch, chick, wife
DuitsWeib
Spaanstía, guaricha