winden

/ˈʋɪndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
    Kan jij dat touw om die paal winden?

Etymologie

*van het Middelnederlands "winden", woorden als wenden en wandelen hebben een verwante herkomst

Uitdrukkingen

  • Er geen doekjes om windener voor uit komen zonder er om heen te draaien / direct zijn, de al dan niet onprettige waarheid zeggen
  • Iemand om zijn/haar vinger (kunnen) windenalles van iemand gedaan kunnen krijgen of alles mogen

Vertalingen

Engelswind, roll, roll up
Fransenrouler
Duitswickeln, winden
Spaansbobinar, enrollar, envolver