wind
mannelijk (de)/wɪnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) de stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillenWas hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren!Doordat de wind recht mijn kant opblies en het geluid van de donder steeds dichterbij kwam bleven mijn tranen stromen.
- (biologie) gasvormige ontlasting uit de darmen
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "wint" van Oudnederlands "wint", in de betekenis van ‘luchtstroming’ voor het eerst aangetroffen in 1001
Uitdrukkingen
- aan de wind
- De wind eronder hebben
- Zijn huik naar de wind hangen
- de wind van voren krijgen
- in weer en wind
- het gaat hem/haar voor de wind
- Wie wind zaait, zal storm oogsten. — wie verkeerd handelt, zal de gevolgen daarvan ondervinden ofwel: wie zelf de boel opstookt zal er zelf de gevolgen van gaan dragen
- Zoals de wind waait, waait zijn jasje. — hij gaat met de heersende mening mee of verandert telkens van mening afhankelijk van de mensen om zich heen
Vertalingen
Engelswind, fart
Fransvent
DuitsWind
Spaansviento, aire, ventosidad
Italiaansvento
Portugeesvento
Russischветер
Chinees风, 呼吸
Japans風, かぜ, 気流
Arabischرّيح
Turksrüzgâr
Poolswiatr
Zweedsvind
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek