wintereik
mannelijk (de)/ˈwɪntərˌɛik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort loofboom, , die inheems is in de Benelux en tot 30 meter hoog kan wordenBomen met een grotere diameter dan 40 centimeter mogen ook worden gekapt tenzij het gaat om haagbeuk, beuk, zomereik, wintereik, Hollandse linde, winterlinde, zomerlinde, Hollandse iep en gewone es. In die gevallen moet er bij de gemeente wel een kapvergunning worden aangevraagd. Tubantia 22-04-15 [https://www.tubantia.nl/dinkelland/vinger-aan-de-pols-bij-nieuwe-kapverordening-in-gemeente-dinkelland~a15ad67e/ Vinger aan de pols bij nieuwe kapverordening in gemeente Dinkelland]Het lijkt erop dat de zomer- en wintereiken dit jaar een grote opbrengst aan eikels produceren. Vooral de eiken in cultuurlandschappen en in de steden hangen barstensvol en koersen af op een zogeheten (extreme) volmast, een bijzonder grote oogst. Op de Veluwe is sprake van een gemiddelde mast. Dat meldt de website Natuurbericht.nl. De Standaard 20/09/2015 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20150920_01875843 Uitzonderlijke eikeloogst]
Etymologie
*, vermoedelijk omdat hij later bloeit dan de zomereik
Vertalingen
Engelsdurmast oak, sessile oak
Fransrouvre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek