wintertijd
mannelijk (de)/ˈwɪntərˌtɛit/
Wat is de betekenis van wintertijd?
wintertijd betekent: de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
- de koude periode van het jaar
Voorbeelden van "wintertijd" in een zin
- In Nederland is de wintertijd geldig van eind oktober tot en met eind maart.
- Met natuurlijk dit verschil dat het toen niet nodig was om de stammen boven open vuur te houden als je ze samen moest voegen. Omdat daar geen bruggenbouw mogelijk was geweest in de wintertijd.
Vertalingen
Engelsstandard time
Fransheure d'hiver
DuitsWinter, Winterzeit
Poolsczas zimowy
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek