wintertijd

mannelijk (de)/ˈwɪntərˌtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
    In Nederland is de wintertijd geldig van eind oktober tot en met eind maart.
  2. de koude periode van het jaar
    Met natuurlijk dit verschil dat het toen niet nodig was om de stammen boven open vuur te houden als je ze samen moest voegen. Omdat daar geen bruggenbouw mogelijk was geweest in de wintertijd.

Vertalingen

Engelsstandard time
Fransheure d'hiver
DuitsWinter, Winterzeit
Poolsczas zimowy