Wissel
/ˈwɪsəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (het, de) (spoorwegen) speciale constructie in een spoorweg om een trein, metro of tram naar een ander spoor te leiden
- (de) (economie) handelspapier waarin een uitgever (de trekker) aan een derde (de betrokkene) onvoorwaardelijke opdracht geeft een bepaalde geldsom of diens order te betalen aan een bepaalde persoon (de nemer)
- (de) vervanging van een sporter door een teamgenoot
- (de) pad op een vaste route van wild
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands """ "ruiling, verwisseling, wisselbank, betaalkas", van Oudnederlands "wihsil" "ruil, "wissel"", voor het eerst aangetroffen in 901-1000; vergelijk "Wessel", "Wechsel", "wixele" / "wixle" en "wisseling, ruil", verwant met "wijken"
Vertalingen
Engelsswitch, points, bill of exchange
Fransaiguillage, lettre de change
DuitsWeiche, Wechsel
Spaansdesvío, letra de cambio
Italiaansdeviatoio, cambiale
Portugeesletra de câmbio
Poolszwrotnica, weksel trasowany
Zweedsväxel
Deensveksel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek