Wissel

/ˈwɪsəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spoorwegen (het, de) (spoorwegen) speciale constructie in een spoorweg om een trein, metro of tram naar een ander spoor te leiden
  2. economie (de) (economie) handelspapier waarin een uitgever (de trekker) aan een derde (de betrokkene) onvoorwaardelijke opdracht geeft een bepaalde geldsom of diens order te betalen aan een bepaalde persoon (de nemer)
  3. (de) vervanging van een sporter door een teamgenoot
  4. (de) pad op een vaste route van wild

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands """ "ruiling, verwisseling, wisselbank, betaalkas", van Oudnederlands "wihsil" "ruil, "wissel"", voor het eerst aangetroffen in 901-1000; vergelijk "Wessel", "Wechsel", "wixele" / "wixle" en "wisseling, ruil", verwant met "wijken"

Vertalingen

Engelsswitch, points, bill of exchange
Fransaiguillage, lettre de change
DuitsWeiche, Wechsel
Spaansdesvío, letra de cambio
Italiaansdeviatoio, cambiale
Portugeesletra de câmbio
Poolszwrotnica, weksel trasowany
Zweedsväxel
Deensveksel