wortelen

/ˈwɔrtələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) wortel schieten
    Nieuwe natuur is geworteld in de streek.[https://www.natuurmonumenten.nl/nieuwe-natuur-is-geworteld-in-de-streek Tiengemeten]
  2. absol (absol) verankerd zijn, ingeburgerd zijn, zijn oorsprong vinden
    Die gedachte wortelt nog in het oude heidendom van weleer.

Etymologie

*: "wortel" met de uitgang -en

Vertalingen

Spaansenraizar, arraigar