Wortel

mannelijk (de)/ˈwɔrtəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. groente (groente) de eetbare wortel van de peen
    Cornelia lijkt bezig te zijn om met een wortel een gans te vullen, en dat doet ze niet bepaald zachtzinnig.
    We hebben wortelen met erwten gegeten.
  2. het onderste, meestal in de grond doordringend gedeelte van een plant dat hem hold geeft en voedsel en water uit de bodem opneemt
    Als je onkruid wiedt moet je de wortels niet in de grond laten, want dan groeit het zo weer terug.
  3. wiskunde (wiskunde) een getal gezien in zijn verhouding tot het getal van zijn tweede macht, derde macht, enz
    De wortel van honderdvierenveertig is twaalf.
  4. taalkunde (taalkunde) radix, de kleinste betekenisvolle eenheid in een taal, ontdaan van alle afhankelijke, betekenisdragende elementen, zoals klinkerwisseling, voor- en achtervoegsels, invoegsels en uitgangen.
    [D]e meeste werkwoorden worden gevormd door achter de wortel een suffix te voegen; zo'n wortel + suffix heet thema of stam en achter die stam komen dan de persoonsuitgangen, althans in 't praesens.[http://www.dbnl.org/tekst/scho074hist01_01/scho074hist01_01_0010.htm dbnl]
    De woordformaties verband, binden, gebonden en bond hebben dezelfde wortel gemeen, namelijk b-n-d met de betekenis 'vastmaken', terwijl van de wortel b-d 'verzoeken, dringend vragen' de woorden gebed, aanbidden, opbod, ontbieden en verbieden zijn afgeleid.
  5. inplanting of dat waaruit iets ontspringt
    De poort van haar vrouwelijkheid is de wortel van hemel en aarde.
    Zij trekt de wortel van haar bestaan, dacht hij.
    De PCT heeft geen religieuze wortels behalve verwondering over de natuur.

Etymologie

* In de betekenis van ‘ondergronds deel van een plant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • Gierigheid ( of hebzucht) is de wortel van alle kwaaddoor gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld
  • Met wortel en tak uitroeieniets volledig bestrijden om er geen last meer van te hebben

Vertalingen

Engelscarrot, root, root
Franscarotte, racine, racine
DuitsMöhre, Mohrrübe, gelbe Rübe
Spaanszanahoria, raíz, raíz
Italiaanscarota, radice, radice
Portugeescenoura, raiz, raiz
Russischморковь, корень, корни
Chinees胡萝卜, 红萝卜, 根
Japans人参, にんじん, 根
Koreaans당근, 뿌리
Arabischجذر, جذر
Turkshavuç, kök
Poolsmarchew, marchewka, korzeń
Zweedsmorot, rot, rot
Deensgulerod, rod, rod