wrok

mannelijk (de)/xxxx/

Wat is de betekenis van wrok?

wrok betekent: blijvend gevoel van onvrede over geleden of vermeend onrecht

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. blijvend gevoel van onvrede over geleden of vermeend onrecht

Voorbeelden van "wrok" in een zin

  • Eerder werd al bekend dat verdachte Tetsuya Yamagami wrok tegen Abe koesterde, omdat de politicus volgens hem verbonden was aan een religieuze groep. Het is niet duidelijk waarom de 41-jarige man uiteindelijk Abe als slachtoffer koos.

Betekenis en uitleg van wrok

Wrok is het gevoel van bitterheid of wraakzucht dat iemand kan koesteren na een onrecht of teleurstelling. Het is een emotie die vaak voortkomt uit onverwerkte pijn of frustratie, en kan leiden tot een verlangen om de ander te straffen of te benadelen.

Dit woord gebruik je vaak in situaties waarin iemand zich gekwetst voelt en deze gevoelens niet kan loslaten. Wrok kan ontstaan na conflicten, zoals een breuk in een vriendschap of een onrechtmatige behandeling op het werk. Het heeft een negatieve connotatie en kan schadelijk zijn voor zowel de persoon die wrok voelt als voor hun relaties met anderen.

Voorbeelden

  • Na de slechte samenwerking met zijn collega bleef er wrok in hem opkruipen.
  • Haar wrok over de onrechtvaardige beslissing van de baas beïnvloedde haar motivatie om te werken.
  • De wrok die hij voelde na de ruzie met zijn beste vriend was moeilijk te verbergen.

Veelgestelde vragen over wrok

Wat is de betekenis van wrok?

wrok betekent: blijvend gevoel van onvrede over geleden of vermeend onrecht

Welk woordgeslacht heeft wrok?

wrok is een mannelijk (de).

Hoe gebruik je wrok in een zin?

Voorbeeld: “Eerder werd al bekend dat verdachte Tetsuya Yamagami wrok tegen Abe koesterde, omdat de politicus volgens hem verbonden was aan een religieuze groep. Het is niet duidelijk waarom de 41-jarige man uiteindelijk Abe als slachtoffer koos.

Etymologie

* In de betekenis van ‘rancune’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1550

Vertalingen

Engelsspite, grudge, rancour
Fransrancune, dépit, rancœur
DuitsGehässigkeit, Groll
Spaansrencor