z.k.h.

mannelijk (de)/ˌzɛinəˈkonɪŋkləkə ˈhoxhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. titel voor niet-regerend mannelijk lid van een koninklijk geslacht
    De finale in TivoliVredenburg, bijgewoond door beschermheer Z.K.H. Prins Constantijn, was spannend.

Etymologie

*(afkorting) Zijne Koninklijke Hoogheid