zaadplanten

/ˈzatplɑntə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderstam of onderafdeling , vaatplanten die gekenmerkt worden door het bezit van zaadknoppen. De geslachtelijke voortplanting van zaadplanten gebeurt via zaden, die ontstaan uit bevruchte zaadknoppen. De zaden kunnen samen met de vruchtbladen vergroeid zijn tot vruchten, eventueel met verdere delen van de moederplant tot schijnvruchten
    Met tenminste 25.000 soorten zaadplanten en 8.000 soorten varens is de flora in het Maleisisch gebied (Zuidoost-Azie) een van de rijkste ter wereld.

Etymologie

*zaadplant met uitgang -en