zagen
/ˈzaɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) in stukken delen door middel van een zaagIk moet nog wat hout zagen.
- (inerg) op vervelende wijze spreken, zeurenKlagen en zagen, het is voor hem dagelijkse kost.
Vertalingen
Engelssaw
Fransscier
Duitssägen
Spaansserrar, aserrar
Italiaanssegare
Portugeesserrar
Russischпилить
Poolspiłować
Zweedssåga
Deenssave
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek