zakpijp
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzɑkpɛip/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) een rietinstrument aangeblazen via een zakIn voorbije eeuwen was de zakpijp een belangrijk instrument in de muziek van de Lage Landen.
- (manteldieren) benaming voor zeedieren uit de ordeDe ene lijkt op een abrikoos, de andere op een zuurstok, en beide hebben ook wel wat weg van een doedelzak. Deze wonderlijke mariene organismen behoren tot de zogeheten zakpijpen. [https://www.nrc.nl/nieuws/2023/11/28/de-ene-zakpijp-is-de-andere-niet-of-toch-wel-zo-toont-het-dna-van-een-mysterieuze-diergroep-a4182554 www.nrc.nl (28 nov 2023)]
- hulpstuk aan de afvoer van kachels om een hoogteverschil tussen de uitlaatopening en de schoorsteen op te vangen
Etymologie
*[2] omdat de vorm aan een doedelzak doet denken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek