zee

mannelijk/vrouwelijk (de)/ze/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde (aardrijkskunde) een uitgestrekt oppervlak zoutwater dat het grootste deel van de aarde bedekt
    Wij gaan op vakantie naar Griekenland, waar we een hele week aan zee gaan liggen.
    En Olive, die ook niet dieper wilde ingaan op de foute kanten van hun plannetje, wendde haar blik af en keek naar de kolossale lijnschepen die de zee op voeren.
    Heb elkander lief, maar maak van de liefde geen band: laat zij veeleer zijn een golvende zee tussen de kusten van je zielen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) overstelpende hoeveelheid, zeer grote massa
    Toen de kinderen het huis uit waren, had zij opeens een zee van tijd

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands see, uit Oudnederlands sēo, ontwikkeld uit Oergermaans *saiwiz, bij Indo-Europees *soikʷ-í-, uitbreiding van de basis *séikʷ- ‘gieten’, die in Middelnederlands siën ‘filtreren, sijpelen’ is voortgezet; zie verder zeiken. Evenals Nederduits See ‘meer; zee’, Fries see ‘zee’ en Zweeds sjö ‘meer’.

Uitdrukkingen

  • Dat kan al het water van de zee niet afwassenDat valt niet weg te praten
  • De zee ploegenOp zee varen
  • Er verdrinken er meer in het glas dan in de zeeEr vallen meer doden door drankmisbruik dan op zee
  • Geen zee gaat te hoogNiets is te moeilijk (om een bepaald doel te bereiken)
  • Het water loopt altijd naar de zeeDegenen die toch al het meeste hebben, krijgen het meeste erbij
  • Recht door zeeZonder omwegen, direct, zonder smoesjes, kordaat
  • Water naar de zee dragenZinloos, overbodig werk doen
  • Met iemand in zee gaanMet iemand zaken doen

Vertalingen

Engelssea
Fransmer, large
DuitsMeer
Spaansmar
Italiaansmare
Portugeesmar
Japans
Turksdeniz
Poolsmorze
Zweedshav
Deenshav