zeekool
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzekol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) (landbouw) bepaald soort op de kusten van centraal Europa voorkomende plant, , verwant aan de koolfamilie, gekweekt als groenteHet kweken van zeekool is niet moeilijk.De zeekool, woekerend aan de Waddenkant, zou worden geteeld voor de consument.
- (groente) stengels van , gebruikt als groenteIn een brochure voor de onbekende zilte zeekool omschrijven Texelse koks hem als „beetje aards, tikje zilt, nootachtig, een klein bittertje”.
Vertalingen
Engelssea kale
Spaanscol marina, berza marina
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek