zeekool

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzekol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten, landbouw (bloemplanten) (landbouw) bepaald soort op de kusten van centraal Europa voorkomende plant, , verwant aan de koolfamilie, gekweekt als groente
    Het kweken van zeekool is niet moeilijk.
    De zeekool, woekerend aan de Waddenkant, zou worden geteeld voor de consument.
  2. groente (groente) stengels van , gebruikt als groente
    In een brochure voor de onbekende zilte zeekool omschrijven Texelse koks hem als „beetje aards, tikje zilt, nootachtig, een klein bittertje”.

Vertalingen

Engelssea kale
Spaanscol marina, berza marina