zeep
mannelijk/vrouwelijk (de)/zep/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheikunde) (huishouden) substantie met een desinfecterende werking, gebruikt als schoonmaakmiddel of voor de persoonlijke hygiëneScout en Frodo, waar ik de eerste nacht in San Diego logeerde, hamerden er bij mij op geen zeep en shampoo in de natuur te gebruiken.Ook biologische zepen werden niet gewaardeerd in de natuur.
- (huishouden) een stuk van bovengenoemde substantie, meestal in de vorm van een blokGeef mij de zeep eens aan.
Etymologie
* In de betekenis van ‘reinigingsmiddel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1288
Uitdrukkingen
- Om zeep brengen/helpen — doodmaken, doden; bij uitbreiding: "laten mislukken", "naar de knoppen helpen"
- Om zeep gaan — doodgaan
Vertalingen
Engelssoap
Franssavon
DuitsSeife
Spaansjabón
Italiaanssapone
Portugeessabonete
Russischмыло
Japans石鹸, せっけん, sekken
Turkssabun
Poolsmydło
Zweedstvål
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek